06-12-2017/2 | digitaal beeld gebaseerd op foto, 90 × 150 cm
-
Seventeen bestaat vrijwel volledig uit horizon. Bovenaan ligt een zware olijfzwarte massa, door het midden loopt een heldere crèmekleurige strook en onderaan gaat kobalt over in bijna zwart. Het beeld is niet gecomponeerd, maar verzameld. Elke kleurband vormt daardoor het gemiddelde van alles wat gedurende een bepaalde tijd één lijn in de ruimte passeerde.
Seventeen registreert zowel tijd als plaats en lijkt daardoor eerder op een spectrogram dan op een traditioneel landschap. De fijne lijnen in het beeld verwijzen naar de mechanische manier waarop het is ontstaan. Tegelijk geven de kleurvelden het werk de uitstraling van een schilderij.
Het werk sluit aan bij een traditie waarin kunstenaars de horizon, kleur en herhaling gebruiken om de blik te vertragen. Daarbij zijn zowel schilders als Turner, Whistler, Rothko, Newman en Agnes Martin als fotografen als Sugimoto, Richter, Uta Barth, Idris Khan en Adam Magyar van betekenis. Zij benaderen het beeld niet alleen als beschrijving, maar ook als registratie. Van een afstand verschijnt in Seventeen een horizon; van dichtbij valt die herkenning uiteen in lagen, lijnen en sporen van beweging.
-
Seventeen bestaat vrijwel volledig uit horizon. Horizontale kleurbanen leiden de blik over het beeld: bovenaan ligt een zware olijfzwarte massa, in het midden verschijnt een heldere strook van crème en warmgrijs, en onderaan gaat het beeld over in kobalt en bijna zwartblauw. Door de beweging is de oorspronkelijke scène niet langer herkenbaar. Wat resteert, is een landschap teruggebracht tot zijn eenvoudigste beeldtaal, samengesteld uit informatie die in een stilstaande foto van elkaar gescheiden zou blijven.
Het beeld ontstaat niet door een compositie op te bouwen, maar door beweging: het landschap wordt tijdens de opname langs de sensor gevoerd. Elke kleurband vormt het gemiddelde van alles wat gedurende een bepaalde tijd één lijn in de ruimte passeert. Zo registreert het werk niet alleen een plaats, maar ook het verstrijken van tijd. In die zin lijkt het eerder op een seismogram of spectrogram dan op een traditioneel landschap. De fijne lijnen in het beeld verwijzen naar dit mechanische proces, terwijl het geheel tegelijk de uitstraling van een schilderij krijgt.
Mijn werk begint op het moment dat een foto niet langer beschrijft, maar registreert. Door de belichting te verlengen en het kader in beweging te brengen, verliest de camera zijn anekdotische karakter. Hij wordt een instrument dat meet hoe licht zich in de tijd gedraagt. Voor Seventeen liet ik een landschap langs de sensor bewegen, in plaats van de camera erop te richten. Niets in het beeld is geënsceneerd; alles is verzameld.
Seventeen staat in een traditie waarin de horizon een zelfstandig beeldend motief wordt. In de late zeegezichten van Turner en de Nocturnes van Whistler verschuift de aandacht van herkenbare objecten naar atmosfeer en tijd. In de twintigste eeuw gebruikten Mark Rothko en Barnett Newman horizontale kleurvelden om de blik van de toeschouwer te vertragen, terwijl Agnes Martin met herhaling en bijna-leegte het beeld tot zijn essentie terugbracht. Mijn kleurbanden sluiten bewust bij die beeldtaal aan, maar zijn niet door mij ontworpen: ze ontstaan door de registratie van de machine. Juist die verschuiving in auteurschap vormt de kern van het werk.
Ook binnen de fotografie sluit Seventeen aan bij kunstenaars die het medium gebruiken om tijd en waarneming te onderzoeken. Hiroshi Sugimoto herleidt in zijn Seascapes het landschap tot één horizon en toont hoe leegte een precies onderwerp kan worden. Gerhard Richters vervaagde fotoschilderijen en rakelabstracties laten zien dat een uitgesmeerd beeld geen mislukking is, maar informatie van een andere orde. Uta Barth maakt de waarneming zelf tot onderwerp, terwijl Idris Khan meerdere belichtingen samenbrengt in één dicht beeld. Adam Magyar gebruikt slit-scanopnamen en een lineaire sensor om tijd als ruimte zichtbaar te maken. Corinne Vionnet voegt honderden toeristenfoto’s samen tot spookachtige gemiddelden. Ori Gersht laat met landschappen vanuit bewegende voertuigen zien hoe bewegingsonscherpte ook informatie kan achterhouden. Deze uiteenlopende werkwijzen verbinden registratie, tijd en onvolledige zichtbaarheid met elkaar.
Ik nodig de toeschouwer uit om langzaam te kijken. Van een afstand verschijnt een herkenbare horizon. Van dichtbij valt dat houvast weg en blijven alleen lagen, fijne lijnen en sporen van beweging over. Zo toont het beeld een landschap dat niemand ooit op deze manier heeft gezien, maar dat wel daadwerkelijk is doorkruist.